Pienterplus
Amsterdam, Heerhugowaard, Hoorn
(Hoog)begaafd


'Mijn kind was altijd al anders dan alle anderen', is een door ons vaak gehoorde uitspraak van ouders. Onderzoek en erkenning van de intelligentie van het kind, geeft eindelijk een antwoord op vele onbeantwoorde vragen uit het verleden van het kind. Maar wat houdt hoogbegaafdheid nu precies in? 



Hoogbegaafd

Bij een IQ boven de 130 spreekt men van een intelligentie op een zeer intelligent of hoogbegaafd niveau. Bij een IQ hoger dan 120 is er sprake van een intetlligentie op een begaafd niveau. Begaafden kunnen dezelfde problemen tegenkomen als hoogebegaafden, maar wel in mindere mate. Hoewel er vele definities beschikbaar zijn, is een brede definitie van hoogbegaafdheid  “Hoogbegaafden beschikken over gedemonstreerde of potentiële bekwaamheden, die uitdrukking zijn van hoge prestatiemogelijkheden op intellectueel, creatief, artistiek (muzikaal of vormgeving) of specifiek academisch gebied, of over bijzondere leiderschapskwaliteiten. Op grond daarvan hebben zij behoefte aan hulp en activiteiten die gewoonlijk niet op school geboden worden”. 

Is er verschil tussen hoogintelligent en hoogbegaafd? 

Vaak wordt er gevraagd of er verschil is tussen hoogintelligent en hoogbegaafd. Letterlijk gezien niet, maar als we kijken naar de definitie lezen we dat er bij hoogbegaafdheid een tweede talent zichtbaar aanwezig moet zijn, naast het hoge IQ.  Bij sommige kinderen komt dit al vroeg tot uiting. Het kind kan prachtig tekenen, is heel muzikaal of blinkt uit in een sport. Als kind zijnde, is echter nog niet mogelijk dat alle talenten zich ontplooid hebben (zie ook meervoudige intelligentie). Een uitblinkend managerstalent, een extreme drang tot scherp debatteren (als kind zijnde word je dan vaak lastig gevonden!) of een bijzondere gave tot filosoferen of mathematisch denken is vaak nog niet aan de orde of neurologisch onmogelijk op jonge leeftijd. Tot het eenentwintigste jaar maken wij op grond hiervan geen onderscheid tussen hoogintelligent en hoogbegaafd.

 



Hoogbegaafd... en dan?

Als met een intelligentietest is vastgesteld dat er sprake is van een begaafd of hoogbegaafd niveau bij het kind of de jeugdige zijn hier vaak een aantal consequenties aan verbonden. Het kind kan andere behoeftes hebben op cognitief gebied (moeilijker werk, interessanter werk, werken in een eigen tempo). Daarnaast kan een ineffectieve cognitieve stijl of werkhoudingsproblematiek ervoor zorgen dat een kind niet optimaal functioneert op school. Ook kan de persoonlijke aanleg of hoe het kind omgaat sociaal-emotionele zaken als gevoelens, gedrag en gedachten vragen om extra ondersteuning, stimulans of aansturing. Wellicht heeft het kind een aangepaste didactische benadering nodig. Op basis van de resultaten van een intelligentieonderzoek, waarbij het niveau van de intelligentie is vastgesteld en de verdeling tussen de cognitieve functies onderling, worden adviezen gegeven om de ontwikkeling van het kind zowel thuis als op school te optimaliseren.

Hoewel cognitief begaafde of hoogbegaafde kinderen en jeugdigen in niets hoeven af te wijken van kinderen met een normale intelligentie komt het toch vaak voor dat deze kinderen specifiek gedrag vertonen, behept zijn met specifieke persoonlijke eigenschappen en dat hun beleving van allerlei belangrijke zaken in het leven (omgang met andere kinderen, zelfbeeld, beleving van de thuissituatie en de schoolsituatie, vrijetijdsbesteding, omgaan met gevoelens, gedrag, denken) gekenmerkt wordt door een heel eigen, authentieke invalshoek.


We kijken graag naar de voordelen van (hoog)begaafdheid, maar uiteraard zitten er ook nadelen aan vast (maar sommige nadelen zijn op latere leeftijd weer een voordeel!). Hoewel dit voor ieder kind verschillend is, noemen we hier enkele veel voorkomende aspecten en problemen bij cognitief hoogbegaafde kinderen en jeugdigen:

 

– Identiteitsproblematiek door het ‘anders’ zijn;

– Emotionele problematiek, doordat het kind of de jeugdige de veelheid en intensiteit van de indrukken niet adequaat kan verwerken;

– Problemen in de omgang met leeftijdsgenoten;

– Een onevenwichtige persoonlijke ontwikkeling door een introverte of extroverte aanleg;

– Overgevoeligheid;

– Angstig zijn;

– Slaapproblemen door dag/nachtritmeproblematiek of teveel denken;

– Piekeren, te diep denken, niet kunnen stoppen met denken;

– Te hoog verantwoordelijkheidgevoel;

– Te groot normbesef;

– Problemen op het vlak van de ego- ontwikkeling (een te krachtig of een te zwak ego);

– Perfectionisme;

– Dominant en bazig zijn; hierbij niet willen luisteren naar opvoeders;

– Persoonlijk ontwikkelde mechanismen en gedragspatronen.


Hoogintelligentie op school


Op school is het belangrijk om niet volgens de redenatie '(hoog)begaafde kinderen hebben meer capaciteiten dan andere kinderen en kunnen dus zichzelf wel redden, zonder extra hulp', te gaan werken. Deze redenering blijkt in de praktijk niet op te gaan. Veel hoogbegaafde kinderen vervallen in zo in onderpresteergedrag en ontwikkelen hun persoonlijkheid niet op een gezonde manier. En zijn als kind gewoonweg vaak niet gelukkig!

Belangrijk is om het kind speciale aandacht te geven en net als ieder ander serieus te nemen. Aandacht en eventueel begeleiding voor het zelfvertrouwen, zelfrespect en zelfbeeld kunnen het kind helpen zijn of haar weg te vinden.

De noodzaak van extra maatregelen vloeit voort uit de leereigenschappen van hoogbegaafde leerlingen: hoog werktempo, weinig behoefte aan instructie, weinig behoefte aan herhalings- en oefenstof en de didactische voorsprong.

Extra maatregelen vallen uiteen in drie categorieën:

1. Aanpassen, dwz het blijven gebruiken van de normale lesstof maar dan op een manier die beter aansluit bij het kind

2. Verbreden, dwz het aanbieden van extra leerstof

3. Versnellen, dwz het in versneld tempo laten doorlopen van de schoolperiode (een groep overslaan)


Om te bepalen welke maatregelen voor het kind het beste zijn, kunnen de volgende stappen gevolgd worden:

- Vaststellen van het didactisch niveau om meer zicht te krijgen op 'waar het kind staat'

- Aanpassen van de reguliere lesstof , bijvoorbeeld door compacting (indikken van leerstof)

- Aanbieden van extra lesstof

 

Als blijkt dat de didactische voorsprong van het kind:

 

– niet aanwezig is,
dan kan worden volstaan met het overslaan van onnodige herhalings- en oefenstof; 

– gering is (enkele weken),
dan de eindtoets van een blok leerstof vooraf afnemen; leerstof die de leerling beheerst kan worden overgeslagen; 

– behoorlijk is (enkele maanden),
dan moet worden doorgetoetst tot duidelijk is op welk niveau de leerling zit. Dit kan bijvoorbeeld via Cito-toetsen; wanneer een leerling een score haalt die niet meer tot de beste 10-15% behoort, kan worden aangenomen dat dit het juiste instapniveau van de leerstof is;

– groot tot zeer groot is (van bijna een jaar of meer),
dan is versnelling (een groep overslaan) geïndiceerd.

Mocht versnelling niet mogelijk zijn, dan moet een zeer omvangrijk pakket aan extra leerstof aangeboden worden; versnelling kan dan in een later stadium eventueel alsnog plaatsvinden.

NB. In alle gevallen is het nodig om onnodige herhalings- en oefenstof over te slaan.

Uit diverse onderzoeken is inmiddels bekend dat 55% van de als hoogbegaafd erkende kinderen is versneld. Versnellen is dus een maatregel die zeker behoort tot het pakket maatregelen waarmee hoogbegaafde kinderen op school begeleid worden. Genoemde onderzoeken hebben ook aangetoond dat de meeste kinderen weinig problemen ondervinden van het versnellen, zeker indien dit beperkt blijft tot één jaar. Dit valt te verklaren doordat hoogbegaafde kinderen ook vaak in hun sociale en emotionele ontwikkeling op een aantal punten verder zijn dan leeftijdgenoten.Bij tweemaal versnellen wordt de kans op problemen wel wat groter.

Gevolg van het aanpassen van de lesstof is dat er in meer of mindere mate tijd vrijkomt voor extra leerstof (verbredingsmateriaal).



Verbredingsmateriaal

Verbredingsmateriaal kan aansluiten op reeds behandelde onderwerpen, of betrekking hebben op totaal nieuwe onderwerpen. Zo mogelijk werkt het kind samen met andere (hoogbegaafde of op dat vak talentvolle) leerlingen aan de verbredingsstof. Het gemaakte werk wordt door de leerkracht op normale wijze beoordeeld, en de resultaten wordt op het rapport vermeld. Extra lesstof is niet vrijblijvend!

 

Verbredingsmateriaal wordt niet zomaar even gekozen door de leerkracht om een kind gedurende een aantal weken 'bezig te houden'. Het materiaal moet net als gewoon lesmateriaal een herkenbare opbouw bevatten, zodat het kind betrokken raakt en gemotiveerd wordt. De school moet hierin bewuste keuzes maken.

Het extra werk hoeft niet altijd "leuk" te zijn. Het kind doet dit werk terwijl de andere kinderen met leervakken bezig zijn: die hebben evenmin "leuk" werk. De grootste uitdaging van de basisschool is: het kind leren werken, een goede werkhouding en leerstrategie bijbrengen. De leerkracht mag en moet aan het extra werk eisen stellen en moet een beoordeling geven. 

Enkele voorbeelden van verbredingsmateriaal zijn:

– 'ontdekkisten' met opdrachten en materialen rondom de thema’s van interesse 

– rekenopdrachten over grafieken, kansberekening en priemgetallen 

– een boek met spannende verhalen, met per verhaal open vragen en multiple choice vragen 

– zelfstandige leertaken over uiteenlopende onderwerpen als "de tweede wereldoorlog in Nederland", "waterverontreiniging", "naar de stembus", etc. 

– zelf een website bouwen 

– zelf een krant leren maken op de computer m.b.v. MS Word 

– een cursus sterrenkunde 

– het leren van een vreemde taal

– Ook speciale activiteiten buiten de klas, of buiten de school, in combinatie met andere hoogbegaafde kinderen (een plusklas of pluspraatgroep), kunnen onderdeel zijn van het verbredingsprogramma.

Een uitgebreid overzicht van op de Nederlandse markt beschikbare verbredingsmaterialen is te vinden in het boek "Hoogbegaafde kinderen kunnen meer".

 


Adviezen omgeving


De reacties van de omgeving, aanmoediging, afremming, goedkeuring, afwijzing, zijn sociale stimuli die vaak van beslissende invloed zijn op de ontwikkeling van de persoonlijkheid van een kind. Helaas reageert de omgeving soms heel negatief op hoogintelligente kinderen. Sommige mensen, soms zelfs leerkrachten, ervaren deze kinderen als bedreigend. Men begrijpt ze niet en dat kan leiden tot gevoelens van frustratie en onvermogen, waardoor het kind buiten de groep geplaatst wordt. Dit kan gebeuren door zowel volwassenen als andere kinderen.

Het kind kan ook om andere redenen de aansluiting bij anderen missen. Daarbij kunnen individuele factoren een rol spelen. Ieder kind heeft zijn/haar eigen karakter. Maar ook de sterke punten die hoogbegaafdheid met zich meebrengt, kan door de omgeving opgevat worden als negatief, waardoor de sterke punten negatieve gevolgen kunnen hebben voor een hoogbegaafd kind.

Voorbeelden hiervan zijn:

Sterke punten

Mogelijke problemen

Nieuwsgierig, zoekt naar betekenis en zin.

Stelt pijnlijke vragen; overdreven in zijn/haar interesses

Verwerft en onthoudt informatie makkelijk en snel.

Ongeduld met anderen, houdt niet van basisoefeningen.

Intrisieke motivatie.

Eigenzinnig; verzet zich tegen beïnvloeding.

Lost graag problemen op; in staat concepten en synthesen op te stellen en te abstraheren.

Verzet zich tegen routine-oefeningen, stelt de onderwijsmethoden ter discussie.

Zoekt naar verbanden, naar oorzaak en werking.

Houdt niet van onduidelijkheden en onlogische zaken (bijvoorbeeld tradities en gevoelens).

Benadrukt waarheid, gelijkheid en eerlijkheid.

Maakt zich zorgen om humanitaire zaken.

Uitgebreide woordenschat; beschikt over veel informatie die verder gaat dan die van leeftijdsgenoten.

Kan zijn/haar spreekvaardigheid benutten om te manipuleren; is verveeld door school en leeftijdsgenoten.

Hoge verwachtingen van zichzelf en anderen.

Intolerant, perfectionistisch, neigt tot depressie.

Creatief en vindingrijk; bewandelt graag nieuwe wegen.

Verstoort het gelijk opgaan van de groep.

Kan zich intensief concentreren; laat zich niet van eigen interesses afleiden.

Verwaarloost plichten of mensen als hij/zij geconcentreerd is; verzet zich tegen onderbrekingen; stijfkoppigheid.

Heeft veel energie.

Is gefrustreerd bij inactiviteit.

Onafhankelijk; heeft voorkeur voor individueel werk; vertrouwt op zichzelf.

Wijst voorstellen van peers of ouders af; nonconformistisch.

Uiteenlopende interesses en vaardigheden; veelzijdig.

Kan ongeorganiseerd en chaotisch werken; is gefrustreerd door gebrek aan tijd.

Sterker gevoel voor humor.

Peers begrijpen de humor niet; hangt de clown van de klas uit.

 
Deze eigenschappen en vaardigheden zijn zelden op zich problematisch. Combinaties van karaktereigenschappen kunnen echter tot problemen leiden. Soms vormen de eigenschappen en vaardigheden in de tweede kolom de doorgeslagen versie van eigenschappen die in de basis goed zijn. Maar juist de doorgeslagen vorm kan irritaties bij anderen in de omgeving oproepen.

 

Sociale omgeving

Vanaf ongeveer de leeftijd van 7 jaar krijgt ieder kind te maken met een toenemend sociaal conformisme: de groep gaat in toenemende mate druk uitoefenen om te voldoen aan de groepsnormen. Tussen 9 en 15 jaar ligt het hoogtepunt van dit conformisme, daarna neemt het weer af. Dat betekent wel dat veel hoogintelligente kinderen in de onderbouw van het voorgezet onderwijs een moeilijke periode doormaken. Als het (hoog)begaafde kind "ja" zegt tegen de groepscodes, komt de eigen identiteit door aanpassing vaak zo onder druk te staan, dat de kans op psychische problemen aanwezig is. Zegt het kind echter "nee" tegen de groepscode, dan komt hij of zij in een isolement terecht. Veel kinderen zoeken dan ook een oplossing in code-hopping, het ene moment volgen ze de groepscode, het andere moment verwerpen ze die weer. Op de groep kan dit gedrag van een (hoog)begaafd kind als onbetrouwbaar overkomen.


Door gesprekken kan het kind leren om te gaan met verschillende situaties in groepen. Bijvoorbeeld: wat is het verschil tussen leiderschap en bazigheid, welke kenmerken heeft een goede leider en welke kenmerken heeft een dictator; welke alternatieven zijn er, welk gedrag wordt positief ervaren zonder dat het kind zijn eigenheid hoeft in te leveren etc.